Energiemix van de toekomst

Gepubliceerd

Deel dit standpunt

Bij het bepalen van onze visie op de energiemix laten we ons leiden door het streven naar betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energieproductie als basis van onze samenleving en onze welvaart. We geloven dat economische groei nodig is om de energietransitie te realiseren: we zullen pas kunnen investeren in toekomstbestendige energiebronnen als onze economie groeit en voldoende welvaart genereert.

Op Europees niveau voorziet de Europese Commissie dat tegen 2050 de elektriciteitsproductiemix in de EU aanzienlijk verandert ten gunste van hernieuwbare energiebronnen, waarbij de toename van windenergie het meest opvalt. In 2050 wordt 73% van de elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, terwijl kernenergie en aardgas hun rol in de elektriciteitsproductiemix behouden. Daarentegen verdwijnt elektriciteitsproductie uit olie en vaste (fossiele) brandstoffen volledig.

In België zal de elektriciteitsproductie tegen 2050 meer dan verdubbelen van de huidige 91 TWh tot meer dan 225 TWh, afgaande op de resultaten van de PATHS2050-studie van Energyville (elektrificatiescenario, exclusief import). Gelet op de groeiende nood aan meer productiecapaciteit, kunnen we kunnen het ons niet veroorloven bepaalde vormen van CO2-neutrale elektriciteitsproductie a priori uit te sluiten. Ook Elia stelt dat België in 2050 slechts 28% tot 37% van de totale elektriciteitsvraag kan dekken met eigen binnenlandse hernieuwbare productie. Op Europese schaal zijn er potentieel weliswaar voldoende hernieuwbare energiebronnen beschikbaar om de directe elektrificatie te dekken, maar moet er voor de indirecte elektrificatie hoe dan ook naar andere productietechnologieën (of import van groene moleculen) worden gekeken.

Hernieuwbare energie

Eerste prioriteit is het potentieel voor wind- en zonne-energie in Vlaanderen zo goed mogelijk benutten. Dat zijn de minst dure hernieuwbare bronnen en hun kostprijs zal de komende jaren nog verder dalen. Uit de analyses van Energyville4 blijkt dat het technisch potentieel voor hernieuwbare energie uit fotovoltaïsche zonnepanelen op daken en onshore windinstallaties in België geraamd kan worden op 118 GW. Op dit moment is slechts 9% van het totaal Vlaamse energieverbruik hernieuwbaar. Het aandeel van groene stroomproductie in het Vlaamse bruto elektriciteitsgebruik lag in 2020 op 17,4%.

Zonne-energie en onshore windenergie
Energyville becijferde dat de capaciteit aan windturbines op land tegen 2030 in België op een kostenefficiënte manier kan verdubbelen tot 5 GW. Voor zonnepanelen kan de capaciteit zelfs verviervoudigen tot 20 GW. Dat is ambitieus, maar haalbaar. Meer dan 90% van de geschikte Vlaamse dakoppervlakte is momenteel nog onbenut voor zonnepanelen.

De huidige Vlaamse ambitie van 6,7 GW zonnepanelen in 2030 moet voor ons dan ook naar boven herzien worden. Het doel moet zijn om het groeiritme binnen de 5 jaar te verdubbelen tot 600 MW per jaar om zo te komen tot 9 GW in Vlaanderen in 2030.

Voor wind op land moet de ambitie omhoog naar 150 MW per jaar, om uit te komen op 2,9 GW in 2030. We willen dit realiseren door onder meer in te zetten op repowering van turbines op bestaande locaties en een betere symbiose met de luchtvaartactiviteiten na te streven.

Het is belangrijk een stabiel investeringskader te voorzien en de vergunningsprocedures verder te stroomlijnen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen zou binnen de 6 maanden uitspraak moeten kunnen doen en moet daartoe versterkt worden. De Vlaamse financiering van steden en gemeenten moet gedeeltelijk afhankelijk gemaakt worden van de hernieuwbare energieproductie op hun grondgebied. Op die manier worden ook lokaal de baten van hernieuwbare energie versterkt. Coöperatieven en systemen van energiedelen moeten alle kansen krijgen. We maken op die manier de voordelen van de energietransitie ook voor bijvoorbeeld appartementsbewoners reëel. Grote dakoppervlaktes van grote verbruikers worden systematisch en verplicht voorzien van een minimum aandeel zonnepanelen.

Offshore windenergie
België en Belgische bedrijven zijn een pionier in de ontwikkeling van offshore windenergie. Met 399 windturbines die samen 2262 MW aan hernieuwbare productiecapaciteit vertegenwoordigen, staan we op de zesde plaats in de wereld.

Deze capaciteit moet voor ons nog worden opgevoerd, in een eerste stap binnen onze eigen territoriale wateren. Dankzij de beslissing van de federale regering om de tweede Belgische offshore zone (Prinses Elisabethzone) uit te breiden tot 3,5 GW realiseren we tegen 2030 een capaciteit van 5,8 GW offshore wind. Richting 2050 moet de capaciteit offshore wind aangroeien tot 8 GW. Repowering en optimalisatie van de eerste offshore windmolenpark kan hiertoe bijdragen.

We mogen en kunnen onze ambities voor groene stroom niet beperken tot ons eigen grondgebied. De ruimte in het Belgisch deel van de Noordzee is te schaars. Verder in de Noordzee, bijvoorbeeld voor de kust van het VK en Denemarken, is er nog meer wind die voor nog constantere stroomvoorziening kan zorgen. Op grond van samenwerking met onze buurlanden en tussen EU-lidstaten en in lijn met de ambities binnen de Green Deal, moet België een actieve rol op te nemen binnen de North Sea Energy Cooperation. We zien in 2050 potentieel voor een directe verbinding met 16 GW offshore windcapaciteit buiten de Belgische Noordzee.

We begrijpen de bezorgdheden rond bovengrondse hoogspanningslijnen. We moeten het onderzoek ondersteunen dat ondergrondse gelijkstroomnetten op robuuste manier kan inschakelen in de bestaande wisselstroomnetten. Vlaanderen legt een bindend handhavingskader vast voor elektromagnetische straling en controleert dit zelf.

Nucleair

 

Huidig nucleair park
De Russische inval in Oekraïne is een absolute gamechanger in het debat over de kernuitstap. Het wordt duidelijk dat een energiemix enkel gebaseerd op hernieuwbare energie en gas geen optie meer is. Verwijzend naar Duitsland is het duidelijk dat we met alleen zonne- en windenergie op korte termijn niet verder kunnen. Er is een reëel risico dat de bevoorradingszekerheid in het gedrang kan komen in periodes zonder zon en wind, een zogenaamde Dunkelflaute1.

Zoals eerder besproken is de elektrificatie van het wagenpark en het verwarmen van onze woning cruciaal om de uitstoot te beperken. Hoge elektriciteitsprijzen zouden dit in de weg staan. Een slimme combinatie van hernieuwbare én nucleaire energieproductie is voor ons de toekomst. Energyville toont aan dat dergelijke mix leidt tot een energiesysteem aan de laagste kostprijs.

We willen dan ook dat de federale regering de haalbaarheid van een levensduurverlenging van de bestaande reactoren onderzoekt in functie van het versterken en veiligstellen van de bevoorradingszekerheid op korte en lange termijn. De exploitant moet meewerken aan een grondige analyse om een duidelijk zicht te krijgen op de kosten, uitdagingen en timing van een levensduurverlenging. Deze analyse moet ook nagaan of er centrales zijn die kunnen bijdragen aan rendabele waterstofproductie.

Wat Doel 4 en Tihange 3 betreft, heeft de federale regering op 18 maart 2022 beslist om de gesprekken met ENGIE op te starten met het oog op een levensduurverlenging voor een periode van 10 jaar. Een verlenging met 20 jaar (tot 2045) lijkt ons echter meer aangewezen om de benodigde investeringen beter economisch te verantwoorden. Eventuele verdere verlenging moet in het licht van de veiligheid en alternatieve technologieën beoordeeld worden.

Nieuwe nucleaire technologie
België heeft een lange traditie in het industrieel bouwen en uitbaten van nucleaire centrales, evenals het ontwikkelen van hoogstaande onderzoeksactiviteiten rond kernenergie en opslag van kernafval. Deze competentie is erkend op wereldniveau en gaf aanleiding tot vele innovaties. Als land met veel nucleaire knowhow mogen we de boot van onderzoek naar de nieuwste generaties reactoren niet missen.

Veelbelovend is de ontwikkeling van kleine modulaire kernreactoren met nieuwe nucleaire technologie, de zogenaamde SMR’s. Verschillende landen waaronder Canada, de Verenigde Staten, het VK en Frankrijk zetten hierop in. Deze reactoren hebben een veel kleinere capaciteit (tot 300 MW) waardoor ze op meer plaatsen gebouwd kunnen worden. SMR’s zouden in relatief grote volumes in een fabriek kunnen worden geproduceerd om nadien op locatie op te bouwen. Ze moeten ook flexibel kunnen worden in- en uitgeschakeld naargelang de elektriciteitsvraag waardoor ze compatibel zijn met hernieuwbare energiebronnen.

Wat de bouw van nieuwe nucleaire centrales betreft, zijn voor ons volgende randvoorwaarden belangrijk: (1) flexibiliteit, (2) passieve veiligheid, (3) minimalisatie van langlevend afval (4) non-proliferatie en (5) economische haalbaarheid en verzekerbaarheid. Die voorwaarden sluiten voor ons de bouw van nucleaire centrales (inclusief SMR’s) van de huidige generatie uit.

Wij blijven het onderzoek naar nieuwe nucleaire technologieën steunen. Het wereldvermaarde Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) in Mol moet daarbij verder worden ondersteund door de federale overheid en moet een belangrijke rol spelen in de te ontwikkelen Europese nucleaire strategie. Samen met de federale overheid en (internationale) industriële partners moet het SCK een onderzoeksprogramma op poten zetten waarbij de mogelijkheden van elektriciteits- en waterstofproductie door SMR’s wordt onderzocht. Het doel is om tegen 2040 in België een piloot SMR te bouwen. Die optie wordt momenteel verhinderd door de wet houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie. Met een aanpassing van die wet willen we de oprichting en exploitatie van een nieuwe nucleaire centrale op basis van de nieuwe generatie nucleaire technologie toelaten. We dienden hiervoor reeds een wetsvoorstel in het federaal Parlement.

Het is nog niet mogelijk om met zekerheid te zeggen wanneer SMR’s die aan onze randvoorwaarden voldoen commercieel beschikbaar zullen zijn. We verwachten dat ze commercieel rond 2045 ingezet kunnen worden. Door het Europees onderzoek naar nucleaire technologieën te bundelen kunnen we de ontwikkeling versnellen. Het is onze ambitie om de sluiting van Doel 4 en Tihange 3 in 2045, samen goed voor een capaciteit van 2 GW, op te vangen met de bouw van minstens 7 SMR’s van 300 MW.

Gas
Elektrificatie en energie-efficiëntie zullen de komende decennia leiden tot een daling in het gebruik van aardgas. Aardgas zal echter onvermijdelijk nog vele jaren een belangrijke, zelfs cruciale energiebron blijven.

Op korte termijn is er door het afschakelen van de reactoren in 2025 onvermijdelijk bijkomende (baseload) capaciteit nodig. De opties daarvoor zijn beperkt: bijkomende flexibele gascentrales zullen hoe dan ook nodig zijn in ons land. Door die flexibiliteit zijn ze compatibel met de productie-eenheden voor groene stroom. Bovendien zijn ze veel milieuvriendelijker dan de steenkool- of bruinkoolcentrales die elders mee de Europese energiemix bepalen. Nieuwgebouwde gascentrales moeten op termijn hun CO2 kunnen afvangen en kunnen omschakelen op hernieuwbaar gas en e-fuels. Na 2035 zal de behoefte aan gascentrales dalen. Ze zullen hoe langer hoe meer ingezet worden om de piekvraag tijdens periodes met weinig zon en wind op te vangen.

We moeten er alles aan doen om ons gediversifieerd te bevoorraden op de wereldmarkt. Voorraden moeten doorheen de EU gecoördineerd worden om prijspieken te vermijden. België moet zijn strategische rol met vele ontsluitingen voor aardgas en als knooppunt binnen het EU-net blijven spelen. De terminal van Zeebrugge en het gasnetwerk zijn van een zodanig strategisch belang dat we de beslissingsmacht erover in eigen, binnenlandse, handen moeten houden.

Nieuwe aansluitingen op het aardgasnet voor woningen en appartementsgebouwen zijn niet meer aan de orde. Specifiek voor de landbouwsector vormt biogas een welkom alternatief en kan op kleine (pocketvergisters) of middelgrote schaal een onderdeel van de transitie zijn. Warmtekrachtkoppelinginstallaties (WKK’s) hebben als technologie een belangrijk aandeel om energie te besparen door naast elektriciteit ook nuttige warmte te leveren, en doordat de piekbehoefte aan elektriciteit samenvalt met de warmtevraag. Dit dubbelgebruik van aardgas blijft nog lange tijd interessant. Ook deze technologie zal echter op termijn van aardgas af moeten.

Warmte vergroenen

We verbruiken in Vlaanderen meer dan 120 TWh aan warmte. De helft wordt door bedrijven gebruikt, meer dan 1/3 door gezinnen. Ook hier is elektrificatie een belangrijk antwoord op de verduurzaming van de warmtevraag. Waar warmtenetten niet zinvol zijn, moeten we – te beginnen met nieuwbouwwoningen - overstappen op warmtepompen. Hiermee boeken we nog grote energie-efficiënte én klimaatwinsten. In minder goed geïsoleerde woningen zijn hybridewarmtepompen een tussenoplossing in afwachting van doorgedreven isolatie. We drijven verder de inspanningen op om gebruikers van elektrische accumulatieverwarming te begeleiden naar slim aangestuurde warmtepompen en warmtepompboilers.

Maar ook groene warmte en de uitwisseling van restwarmte vormen een belangrijk onderdeel van het toekomstig beleid. De collectieve warmte-uitwisseling via warmtenetten biedt, op de gunstige locaties qua (rest-)warmte-aanbod en warmtevraag, milieuwinst op vergeleken met individuele verwarmingssystemen. We willen dat Vlaanderen een regierol opneemt voor een planmatige uitrol van warmtenetten en dat het lokale besturen ondersteunt in de opmaak van een warmteplan. Dergelijke plannen geven aan waar in de gemeente preferentieel verwarmd wordt met warmtenetten, warmtepompen of een andere oplossing. Er is nood aan warmte-backbones om de restwarmte dichter bij de potentiële gebruikers te brengen. Vlaanderen moet daarom de nodige steun bieden om grote bronnen van industriële restwarmte verder te ontsluiten en het zo mogelijk maken dat woonwijken en bedrijven hierop kunnen aansluiten.

Aardwarmte kan een onderdeel zijn van de oplossing. Diepe geothermie heeft een goede toekomst in Limburg en de Noorderkempen. Met de Vlaamse ondersteuning van groene warmte en coördinatie van de exploitaties kunnen in de ganse regio huishoudens, bedrijven en andere grote afnemers fossielvrij gemaakt worden.

Er dient snel een wettelijk kader te komen voor het beheer van warmtenetten op het publiek domein. Bij de uitwerking dient men oog te hebben voor het feit dat warmtenetten sterk kunnen verschillen naar schaal en karakter. De regie ligt het best bij gemeenten. We waken erover dat de consument voldoende wordt beschermd, met onder andere sociale maximumprijzen. Klanten moeten, eens aangesloten op een warmtenet, altijd kunnen rekenen op warmte.

Gerelateerde standpunten

Terug naar alle standpunten