Essay voor het Nolensfonds

Grathem (Nederland), 14 maart 2018

Twee weken geleden was Stef Bos in mijn gemeente te gast.  Hij bracht er zijn muzikale show ‘De Kern’.  In de marge daarvan had ik een mooi gesprek met hem.  Daarin zei hij: de muziek die het langst in je leven blijft hangen, de teksten die we nooit vergeten, de noten die ons terug catapulteren in de tijd, zijn die liedjes die we zongen als we zestien tot twintig jaar waren.

Als we later dement zijn, en we willen iets herkenbaars horen, dan moeten ze de muziek van die tijd opzetten. Voor mijn ouders was dat Boudewijn De Groot.  Ik ben geboren in 1974.  Voor mij is dit Stef Bos die toen doorbrak. 

Maar dit geldt niet alleen voor liedjes en muziek.  Voor elk van ons geldt dat we de tijd van de periode dat we zestien tot twintig zijn, idealiseren.  Vastpakken.  En willen bijhouden.  Het is een periode waarin ieder van ons de wereld ontdekt en verkent. Een periode waarin we onze eigen kleine plek in die grote wereld proberen te zoeken. Wat ik later worden wil, wordt in die periode concreet.  Je moet keuzes en afwegingen maken.  Het vallen en opstaan met een eerste lief.  Het gaan studeren en daardoor een stukje afscheid leren nemen van ouders, zussen en broers, oude vrienden. Het op zoek gaan naar nieuwe vrienden en vriendschappen.

Het gevolg van het idealiseren van die periode is dat we alles wat nadien komt als onzeker beschouwen.  En dat is het natuurlijk ook wel. 

De veranderingen van vandaag beïnvloeden onze gewoontes, onze levensstijl, onze smaak. We zijn vrij en we hebben keuze in overvloed. Misschien zelfs keuze teveel.   Eén van de grootste stressfactoren volgens psychiaters is niet de stress op het werk of in een relatie, maar keuzestress.  Moe van het moeten kiezen.

Ook de mensen zelf veranderen. In hun hoofden, hun levensstijl, hun achtergrond. Migratiebewegingen zorgden voor een mengelmoes aan religies, klederdracht, eetgewoonten en talen, en dat zie je in het straatbeeld. Bovendien leven we langer en worden er minder kinderen geboren. De samenlevingspiramide staat op z’n kop. In België is iets minder dan een vijfde van de bevolking vandaag gepensioneerd. In 2030 zal dit al ongeveer een vierde zijn. Dat zorgt voor een zware druk op de pensioenen en de gezondheidszorg. Een zware druk op jonge mensen, vooral.

Vele veranderingen brengen positieve gevolgen met zich mee: vooruitgang in de medische wereld, ongeziene transport- en communicatiemogelijkheden, de mensheid die zichzelf steeds opnieuw overtreft en grenzen verlegt. Ook letterlijk: dankzij snellere mobiliteit en betere technologie staan we in een oogwenk in contact met mensen aan de andere kant van de wereld. ‘De wereld is een dorp geworden’, zegt men dan.

Maar er zijn ook negatieve gevolgen. Denk aan het tragische verhaal van de New Yorkse taxichauffeur Douglas Schifter, 61 jaar. Hij was limousinechauffeur sinds 1981 en werkte 40 tot 50 uur per week. Met de komst van Uber volstond 120 uur niet meer om rond te komen.  Hij deed zijn verhaal in een bericht op Facebook. ‘Ik ben geen slaaf en ik weiger er een te zijn’, schreef hij. En hij beroofde zichzelf van het leven.

Ons BNP stijgt, maar we hebben het gevoel dat onze levenskwaliteit daalt. Samenhorigheid en broederschap maken plaats voor individualisering. De nieuwe god is het kapitalisme, en hij zorgt niet voor zingeving maar voor kortdurend consumptiegenot.   Die God wordt niet alleen door werkgevers aanbeden.  Als vakbonden bij onderhandelingen de keuze hebben tussen loonsopslag of meer jobs, dan helt de keuze steevast door naar loonsopslag.

Naarmate de diversiteit groter wordt, neemt ook het gevoel van veiligheid en betrokkenheid af. Mensen moeten opnieuw op zoek naar hun plek in de wereld. Tegelijk nemen markt en technologie het van ons over. Mensen worden vervangen door robots, de zorg en ons onderwijs moeten aangepast worden aan een economische logica.

Mensen reageren erg verschillend op deze evoluties. De Amerikaanse journalist Thomas Friedman ziet twee nieuwe groepen ontstaan in onze samenleving. Hij deelt ze onder in ‘Web People’ en ‘Wall People’. ‘Web People’ zijn de mensen die open staan voor wat er op ons afkomt en de veranderingen verwelkomen. Recht tegenover hen staan de ‘Wall People’, de mensen die wantrouwig staan tegenover veranderingen, en liefst van al muren willen bouwen, willen terugplooien op zichzelf.   Het Brexitreferendum was daar een goed voorbeeld van. 

‘Web People’, vinden het heerlijk dat ze op maandag Indisch kunnen eten en dinsdag een kopje muntthee drinken bij de Marokkaan op de hoek. Ze hebben vaak een bevoorrechte positie in de samenleving, liggen comfortabel op de arbeidsmarkt en reageren schamper op mensen die de toenemende multiculturaliteit met lede ogen aanzien. Al snel worden ‘Wall People’ door hen als ‘dom’, ‘kleinburgerlijk’ of ‘boze blanke man’ bestempeld. Ze worden niet ernstig genomen in hun angsten en bezorgdheden. Dat zorgt voor rancune en frustratie bij de ‘Wall People’, mensen die eerder gesloten zijn en zich vasthouden aan het bekende en vertrouwde. De wereld is nu wel een dorp geworden, maar hun eigen dorp is niet meer.

Dat leidt tot onzekerheid. Wie zijn ‘wij’ nog? Mensen worden ontvankelijk voor populistische politici, die simpele oplossingen voorstellen voor ingewikkelde problemen. Deze politici voeden op hun beurt het conflict nog verder. ‘Web people’ worden smalend “gutmenschen” of “naïevelingen” genoemd. Aan beide kanten heerst een totaal gebrek aan inlevingsvermogen en empathie.

De vraag die zich opdringt, is niet min. Welk toekomstperspectief bieden we de bevolking, over al deze verschillen heen? Er is nood aan een duidelijk en vooruitziend antwoord waar niet de ene of de andere groep, maar elke mens beter van wordt. Dit antwoord vinden we niet in systeemtheorieën uit het verleden.  Het antwoord ligt niet in het versterken van de staat of het versterken van de markt.  Het antwoord ligt in het versterken van de mens en zijn gemeenschappen.  Dat is de enige weg vooruit!

Nood aan nieuwe recepten

Heel lang werd de politieke oplossing voor problemen opgedeeld in links of rechts. Maar de oude recepten bieden geen antwoord meer op deze uitdagingen.

Al sinds de val van de Berlijnse Muur op het einde van de jaren tachtig ligt het linkse gedachtegoed aan diggelen. Er kwam een einde aan de bipolaire wereld waarin we sinds de Tweede Wereldoorlog leefden. Francis Fukuyama riep het einde van de geschiedenis uit. Het kapitalisme had overwonnen, de toekomst was aan de vrije markt. Zelfs de socialisten namen afstand van de oude linkse recepten en schoven op naar het centrum.Tony Blair sprak over New Labour, dat was dus toch wel iets anders dan Old Labour. Gerhard Schröder verliet de oude linkse recepten en voerde in Duitsland hervormingen door. Daarmee brak hij radicaal met de oude socialistische doctrine van de SPD.  In Nederland kwam Wim Kok aan de macht.  Bij de Den Uyllezing in 1995 pleitte hij voor een vernieuwing van zijn partij, de PVDA, die moest beginnen met het afscheid nemen van de oude socialistische ideologie.  In België betekende dit het begin van 8 jaar paarse regeringen onder leiding van Guy Verhofstadt.

Die keuze maakt dat links in een nooit geziene identiteitscrisis is terechtgekomen: in België, Nederland, Duitsland, Italië, Frankrijk, in alle Europese landen die de bakermat van het klassieke socialisme zijn geweest, zitten de socialistische partijen op dit ogenblik in crisis.

Het opbergen van de oude linkse recepten en het meestappen in Fukuyama’s droom van een idee van een vrije wereld, werd mee ondersteund door een geweldige revolutie: de opkomst van het internet sinds het midden van de jaren negentig. De poorten stonden open.  Het internet kent geen grenzen.  Op economisch vlak kwam er een periode van deregulering.  De belangrijkste deregulering kwam er in de financiële sector: muren tussen spaar- en investeringsbanken werd gesloopt.  Toezicht van de overheid werd afgebouwd.  Tal van maatregelen die na de bankencrisis van de jaren dertig werden ingevoerd, werden teruggeschroefd.

Maar ook maatschappelijk werden de deuren open gezet:  in België kwam onder de paarse regering de zogenaamde snelbelgwet. Nationaliteitsverwerving werd een papieren formaliteit, aan inburgering werden weinig handen vuilgemaakt.  Mensen zijn vrije burgers.  Neen, beter gezegd: vrije individuen.  Het neoliberalisme had de wind in de zeilen.

Maar ook aan de droom van een unitaire kapitalistische wereld kwam een einde. In 2001 boorde een vliegtuig zich in de Twin Towers. Dit betekende meteen ook de val van het paradigma van Fukuyama. De geschiedenis bleek dan toch niet zomaar één richting te kennen, namelijk deze van een politiek en economisch liberalisme. De Chinezen hebben dit paradigma intussen al helemaal doorprikt. Zij kunnen perfect leven met een combinatie van economisch liberalisme en politieke éénpartijregimes.

Met het faillissement van Lehman Brothers viel nog een ander symbool van het onoverwinnelijk geachte kapitalisme.   Een nieuwe wereldwijde bankencrisis was het gevolg van de maatregelen om de financiële markten te dereguleren.  Overheden moesten onder het paradigma van Fukuyma terugtreden.  En nu werden de overheden gedwongen om opnieuw op te treden!  Deze crisis heeft de voorbije tien jaar grote repercussies gehad: wereldwijd stegen de overheidstekorten en steeg de overheidsschuld.  Het ene land reageerde ook nogal anders dan het andere land.  In België reageerden we onder leiding van de regeringen Yves Leterme en Herman Van Rompuy met een beleid dat erop gericht was de gevolgen van de crisis voor de mensen op te vangen, de sociale zekerheid als opvangnet zijn werk te laten doen en de koopkracht niet te zwaar te fnuiken.  Andere landen kozen ervoor om zwaar te kappen in de overheidsuitgaven.  De Nationale Bank van België heeft een studie uitgevoerd over de gemiddelde groei.  Opvallend: het economisch crisisbeleid uitgezet door christendemocraten (in Duitsland en in België) was op vlak van economisch groei voorspoediger dan dit uitgezet door links (Frankrijk) of rechts (Nederland).

Het economische gedrag van mensen hangt niet af van abstracte theorieën maar van concrete gedragspatronen, leert Richard Thaler ons.  Hij won onlangs de Nobelprijs voor de vrede.  Voor liberalen is de samenleving niet meer dan een optelsom van individuen. Daarmee negeren ze een heel duidelijke realiteit, namelijk dat mensen zich verbonden voelen met elkaar. Mensen delen een concrete geschiedenis, een taal, een geloof of een zingeving. En vermits die achtergronden, talen en culturen heel verschillend kunnen zijn, kan dat ook botsen. Het ontkennen van deze realiteit zorgt dat populisten voet aan grond krijgen. Vele mensen voelen zich immers in de steek gelaten, zich niet herkend.  Het maakt de weg vrij voor links en rechts populisme waarbij de indruk wordt gewekt dat als we terugplooien op onszelf, we beter af zouden zijn.

De oude linkse en rechtse recepten waren gedoemd om te falen. Omdat ze problemen analyseren en oplossingen zoeken in systemen die niet stroken met de realiteit. Ze vertrekken vanuit dogmatische theorieën, in plaats van waarden en ethische overtuigingen.

De kracht van de christendemocratie ligt precies daarin. Het stelt een maatschappijbeeld voorop waarin de mens centraal staat. De mens als concrete persoon in verbinding met anderen. De mens voor wie wij aan politiek doen. Jan of Els die ’s ochtends vroeg op staat om de kinderen naar school te brengen, te gaan werken en hen ’s avonds een gezonde maaltijd voor te schotelen. Kortom: de mens die op zoek is naar een goed en zinvol leven voor zichzelf en de mensen rondom hem. 

De christendemocratie is niet links of rechts, maar kiest voor een Derde Weg. In onze campagne noemen wij die: ‘de weg vooruit’. Het is een weg die leidt naar meer levenskwaliteit. Die het leven van mensen verbetert op die domeinen die voor hen belangrijk zijn. Omdat voor ons elke mens telt.

Levenskwaliteit

Door te focussen op levenskwaliteit willen wij als christendemocraten teruggaan naar de essentie. Het legt de focus op hetgeen voor mensen belangrijk is, in al zijn aspecten en veelzijdigheid. Dat is niet de staat noch de markt.  Levenskwaliteit omvat een ruime waaier aan zaken die het leven waardevol maken, en die verder gaan dan het louter materiële.

Elke mens geeft een andere invulling aan levenskwaliteit. Toch zijn er enkele criteria die voor iedereen terug komen. Wij onderscheiden vier grote thema’s: gezondheid, gezin, geborgenheid en geld. Als christendemocraten hebben wij de sleutel in handen tot vooruitgang op elk van deze vlakken.

Gezondheid

Met nieuwjaar wensen we elkaar steevast een goede gezondheid toe. Met een verjaardag wordt dat meestal ‘nog vele goede jaren’.  Die vele goede jaren, dat worden er elk jaar meer. Onze levensverwachting blijft maar stijgen.

Een lang leven is niet altijd een goed leven. We moeten erop toezien dat we ook onze laatste jaren kwalitatief kunnen doorbrengen. Dat zorgt soms voor ethische vraagstukken. Wanneer moeten we een behandeling nog verderzetten? Hoe vaak kan je een mens reanimeren wiens leven opgeleefd is?

Een ander aspect om ons zorgen over te maken, is onze mentale gezondheid. Die neemt zienderogen af. Het aantal burn-outs, depressies en zelfdodingen bereikt schrijnend hoge pieken. Heel wat mensen geven aan een enorme druk op hun schouders te voelen. Een druk om te presteren, om alles gedaan te krijgen, om nog zinvolheid in het leven te vinden. Samen met een verlies aan sociale banden en spiritualiteit verliezen we een stukje van onze mentale weerbaarheid, en bijgevolg onze levenskwaliteit.

Gezondheid hangt ook in grote mate samen met een schone en groene leefomgeving. Volgens de Verenigde Naties moet je binnen een straal van twee kilometer van je woonplaats toegang hebben tot de natuur, om voldoende levenskwaliteit te ondervinden. Er moet dus voldoende groen zijn om te ontspannen en tot rust te komen. Door de toenemende groei - zowel in de economie als in de bevolking – wordt de beschikbare ruimte schaars. Bovendien wordt onze luchtkwaliteit steeds slechter. Het spreekt voor zich dat dit nefast is voor onze gezondheid. Longziekten, maar ook de kans op een hartinfarct nemen toe naarmate de luchtkwaliteit daalt.

Dit voordeel hebben we wel: als we ziek worden, staat ons de beste gezondheidszorg ter wereld te wachten – althans volgens een rangschikking van het World Economic Forum. Een gezondheidszorg die bovendien voor elke mens toegankelijk is, ongeacht zijn portemonnee. Bij ons geen toestanden zoals in de VS, waar mensen crowdfundingacties moeten opzetten om de levensreddende leukemiebehandeling voor hun kind te kunnen betalen. Bij ons wordt aan elke mens dezelfde kwaliteit gegarandeerd.

In België hebben we een systeem van gesubsidieerde vrijheid in onze gezondheidszorg. Datzelfde systeem hebben we trouwens ook in het onderwijs.  De overheid financiert, controleert kwaliteitscriteria en de toegankelijkheid.  Maar de overheid organiseert niet zelf. Daardoor kunnen mensen stemmen met de voeten. Als het ene ziekenhuis niet deugt, gaat men naar een ander. Als de ene school niet voldoet, kiezen we een andere school.  Hierdoor wordt er voor maatschappelijke diensten voortdurend een concurrentieslag geleverd.  Het houdt hen scherp.  En ze leveren diensten af tegen een prijs die de overheid vaak zelf niet kan leveren.

Het feit dat we langer leven en dat er minder kinderen geboren worden drijft de uitgaven aan gezondheidszorg de hoogte in. Rechtse stemmen dreigen te knippen of te privatiseren, in de hoop het systeem betaalbaar te houden. Dat is een onzinnig idee.  Privatisering betekent een hogere prijs voor minder kwaliteit. Kijk maar naar de cijfers. De VS geeft 16,9% van het BBP uit aan gezondheidszorg, waarvan 8,4% publieke middelen. In België geven we 10,4% uit waarvan 8,0% aan publieke middelen.  Het Amerikaanse systeem is dus 60% duurder, minder toegankelijk en de kwaliteit is niet beter.

Gezin en duurzame relaties

Mensen leven niet voor zichzelf alleen. Als personalisten zijn we ervan overtuigd dat de mens tot ontplooiing komt in zijn relatie met anderen. Voor veel mensen zijn de belangrijkste mensen in hun leven, de mensen uit hun gezin. Maar ook wie alleenstaand is, is altijd verbonden met anderen. Of men nu onder één dak leeft of niet, bloedverwant is of niet, duurzame relaties zijn de eerste schakels in onze verbondenheid met de rest van de samenleving. 

In een samenleving die steeds meer individualistisch wordt, die het materiële verafgoodt en tijd als geld uitdrukt – ‘time is money’, u kent het wel – vergeet men soms het belang van die intermenselijke relaties. Mensen verspillen kostbare tijd in de file, tijd die ze anders met hun kinderen of als vrijwilliger hadden kunnen doorbrengen. Ze staan aan de zijlijn terwijl hun kinderen opgroeien, omdat ze zo druk bezig zijn met hun carrière – met die ene promotie, die belangrijke vergadering of die niet te missen deadline. Mensen moeten zichzelf kunnen ontplooien op het werk, maar moeten ook de mogelijkheid hebben om te zorgen voor hun gezin, voor hun naasten en voor zichzelf. Ook dat is een essentieel onderdeel van levenskwaliteit.

Niemand zal echte levenskwaliteit ervaren wanneer zijn of haar geliefden ongelukkig zijn of wanneer de samenleving mensen onderdrukt en uitbuit. De kwaliteit van het eigen leven hangt samen met dat van hun naasten en met de rechtvaardigheid van de samenleving als geheel. Dat is wat de personalistische filosoof Paul Ricoeur sterk in de verf zet. Hij spreekt over wat ons drijft in het leven als een “streven naar het goede leven met en voor anderen in rechtvaardige instituties.”  Uiteraard hangt dit samen met het belang van verbondenheid.  We delen weliswaar ons leven met onze naasten, maar zijn ook indirect verbonden met alle andere mensen.

Dit klinkt abstract maar maakt het in de politieke actie wel heel concreet: in de manier waarop we onze gezinsfiscaliteit organiseren, kinderopvang uitbouwen, kinderbijslagen uitbouwen.  Wij zullen vanaf 1 januari 2019 een groeipakket uitbouwen dat een nieuwe kinderbijslagsysteem is waar elk kind maandelijks 160 euro als basis zal krijgen, met nog verhogingen voor schoolgaande kinderen en kinderen die in kansarme gezinnen opgroeien.

Geborgenheid

Een belangrijk onderdeel van levenskwaliteit, is het vinden van geborgenheid. Geborgenheid is het hebben van een veilige en herkenbare thuis, een leven in verbondenheid met de mensen met wie we die thuis delen. Levenskwaliteit heeft daarom ook te maken met (het delen van een) identiteit. Dit is geen beklemmende terugnaardetijdvantoen-gedachte, maar een veellagige verbondenheid in de vele gemeenschappen waarvan we in ons leven deel uitmaken. De samenleving is geen eencellige entiteit, maar evenmin een smeltkroes. Het gaat eerder om wat de Amerikaanse communitarist Amitai Etzioni uitdrukt aan de hand van de metafoor van het mozaïek: Er zijn allerlei steentjes (gemeenschappen) met hun eigen kleur, maar ze hangen in hetzelfde kader, bijeengehouden door een sterke lijm.  Die lijm is eerst en vooral een gemeenschappelijke taal, een taal die de dialoog mogelijk maakt. Daarnaast gaat het ook om de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat, waaronder respect voor gelijke rechten. Maar ook: een meer diepgaand maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, het besef dat de samenleving alleen voor ons een thuis kan zijn als het ook voor de ander een thuis kan zijn. Ik vat het samen onder de noemer ‘actief pluralisme’. Een kenmerkende waarde in de christendemocratie.

Geborgenheid is dus niet iets wat je zomaar krijgt. Het is ook iets wat je geeft aan de ander. Door de ander te respecteren. En door je verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving. Door respect te tonen voor waarden en normen, voor taal en cultuur. Zonder gemeenschappelijkheid is er geen samenleving mogelijk, alleen een amalgaam van menselijke eilanden. Geborgenheid is een verhaal van rechten en plichten.

Dit wordt ook een belangrijk gegeven in de context van migratie. Migratie is een feit, we kunnen dit niet terugdraaien. We hanteren een streng maar rechtvaardig migratiebeleid.  De vraag is niet gesloten of open grenzen.  De uitdaging is gecontroleerde grenzen: hoe kunnen we onze grenzen controleren.  Als we onze Europese binnengrenzen willen openhouden moet Europa onze buitengrenzen willen controleren.  En selectief zijn.  We kunnen niet iedereen binnenlaten in Europa.  Maar wel een beleid volgen waarin we onze internationale verplichtingen nakomen.

Europa speelt een belangrijke rol in het creëren van meer geborgenheid. Voor sommigen is de EU een ver-van-ons-bed-show, iets wat ze niet meteen met dit thema associëren. Toch is de realiteit dat de unie ons beschermt tegen factoren die ons gevoel van geborgenheid verminderen. Echte soevereiniteit vindt plaats via Europese actie. De grote uitdagingen van onze tijd – op vlak van veiligheid, migratie, handel, digitale veranderingen – moeten we aanpakken in een Europees kader. De natiestaat is te klein om de uitdagingen alleen de baas te kunnen. Europa biedt een veilige koepel voor samenwerking rond deze problemen. Ik had het zonet al over de manier waarop Europa belangrijk is in een migratiecontext: door onze buitengrenzen te beschermen, maar binnenin het vrij verkeer van personen mogelijk te maken. Ook op economisch vlak beschermt ze echter zonder af te schermen. Denk aan het afdwingen van respect voor de concurrentieregels. En meer recent ook de nieuwe maatregelen rond sociale dumping dankzij Eurocommissaris Marianne Thyssen.

Ik stel een sterke paradox vast. Onze manier van samenleven wordt bedreigd. Of dat nu is door migratie, door demografische uitdagingen of door economische veranderingen. Als antwoord geven sommigen dat we onze manier van samenleven dan maar moeten aanpassen.  Sommigen creëren angst en gebruiken het onveiligheidsgevoel om onze rechten en vrijheden aan te tasten. Onze scheiding der machten, onze vrijheid van meningsuiting, ons recht op privacy. Ook als het in naam van de veiligheid is, verdienen zij onze bescherming. De blijvende uitdaging is: onze veiligheid te versterken zonder angstgevoelens te versterken.

Geborgenheid is een essentieel onderdeel van onze kwaliteit van leven. Een gedeelde identiteit en een gegarandeerde veiligheid, het zijn twee zijden van een zelfde medaille om geborgenheid te garanderen, en de levenskwaliteit die daarmee samen gaat.

Geborgenheid heeft echter ook een publiek aspect. Het gaat ook om publieke geborgenheid.  Het gaat om de stijl die politici hanteren. Jagen ze mensen tegen elkaar in het harnas, praten ze hen schrik aan, zetten ze bevolkingsgroepen tegen elkaar op? Of hebben ze de ambitie om bruggen te slaan, een richting te wijzen, een koers uit te zetten, een samenleving te verbinden?  En doen ze dit op een fatsoenlijke en respectvolle manier? Politici vergeten de voorbeeldfunctie die ze hebben.  Hoe kan je nu je kinderen vragen om respectvol met elkaar om te gaan als je zelf voortdurend het tegendeel doet.  Geborgenheid is iets wat je als politici kan oproepen of afbreken. Als christendemocraat is voor mij het antwoord evident. We moeten een dam bouwen tegen populisten, en zelf het goede voorbeeld geven. Daarin dragen we een grote verantwoordelijkheid als richtinggevers in onze samenleving.

Geld en groei

Als christendemocraten mogen we ontzettend trots zijn op het Rijnlandmodel. Het Rijnlandmodel is geen socialistisch overheidsproject. Het is geen liberaal privatiseringsmodel. Het is een sociaal gecorrigeerde markteconomie, een overlegmodel met een grote rol voor het middenveld, en dat is christendemocratische verwezenlijking. Het Rijnlandmodel biedt de beste zekerheid op een menswaardig bestaan voor elke mens. Ongeacht zijn afkomst of zijn portemonnee. Dat het vandaag, door toedoen van het neoliberale gedachtegoed, onder druk komt te staan is een groot gevaar voor onze welvaart en iets waar ik me zelf ook ernstige zorgen om maak.

Het Rijnlandmodel zorgt niet enkel voor de beste dienstverlening in onderwijs en gezondheidszorg aan de scherpste prijs en de hoogste kwaliteit.  Het zorgt ook voor de beste sociale herverdeling.  De economische inzichten tonen aan dat economische groei en sociale herverdeling zorgen voor de beste economische performantie. Onder meer Nobelprijswinnaar voor de Economie, Joseph Stiglitz, toonde aan dat economieën succesvoller worden naarmate de kloof tussen rijk en arm kleiner wordt, en groei dus breder gedragen. Dat valt te verdedigen vanuit morele overwegingen, maar ook economisch gezien zijn de cijfers duidelijk. In landen met een grotere ongelijkheid is groei brozer en komen recessies vaker voor dan in landen die gelijker verdeeld zijn. Geconcentreerde rijkdom betekent dat er minder is voor consumenten om uit te geven en dat is waar markteconomieën nu eenmaal op drijven.  Duurzame groei wordt voortgedreven door duurzame consumptie.

In grote delen van de wereld wordt de bevolking gemiddeld rijker, maar wordt de kloof tussen arm en rijk ook groter. In België, waar we binnen het Rijnlandmodel opereren, is de inkomensongelijkheid de voorbije decennia niet gestegen. Ongeveer 8,3% van alle inkomsten gaat naar de 1% rijksten, wat beduidend minder is dan in de andere landen.

Conclusie

Zo kom ik tot mijn besluit.  De weg vooruit is niet links of rechts.  Het is geen ideologische verblinding waarbij de staat of de markt tot nieuwe god wordt verheven.  Het is een visie die inzet op levenskwaliteit.  De vier G’s: gezondheid, gezin, geborgenheid en groei leiden tot een vijfde G: een sterke gemeenschap.  Mensen worden sterker als persoon wanneer ze in relatie staan met de ander.  Dat is ons hele WIJ verhaal.

Ik dank U.

Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookie Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.