Door de klimaatwijzigingen veranderen ook kleine elementen in onze fauna en flora. Tijdens zijn doctoraatsstudie onderzocht bio-ingenieur Jonas Vandicke drie jaar lang de aanwezigheid van schimmels op maïs. Hij ontdekte dat in ons land steeds meer zuiderse schimmels op die maïs voorkomen. Schimmels op graangewassen, zoals maïs en andere, kunnen bij opname zeer giftig zijn. Sinds de middeleeuwen weten we al dat de schimmel moederkoren op rogge en tarwe kan leiden tot bloedstolsels en blokkeringen als die bijvoorbeeld via brood in de menselijke spijsvertering terechtkomt. Voor bekende schimmels en mycotoxines, de gifstoffen die daaruit komen, is men alert.

Uiteraard zijn mycotoxines ook mogelijk gevaarlijk voor melkvee en landbouwproducten. Bij bewaring van voeder voor melkvee moet men er daarom ook op toezien dat er geen schimmels voorkomen, en uiteraard moet worden vermeden dat schimmels gewoon via het ruwvoer worden opgenomen. Als er door de klimaatopwarming en veranderende weersomstandigheden meer en vooral ook nieuwe of giftiger schimmels optreden, is het ook zaak om daar aandacht aan te besteden.

Op de vragen hierover van Vlaams volksvertegenwoordiger Stijn De Roo (CD&V) in de commissie Landbouw antwoordde minister Hilde Crevits (CD&V) dat dit eigenlijk een federale bevoegdheid betreft, namelijk volksgezondheid. De bevoegde overheidsdiensten zijn het FAVV en de FOD Volksgezondheid.

Mycotoxinen zijn giftige stoffen die onder bepaalde omstandigheden door schimmels kunnen worden gevormd en in de voeding terecht kunnen komen. De Europese verordening van 19 december 2006 voorziet in wettelijke normen voor maximumgehalten aan verontreinigingen in levensmiddelen, zoals de mycotoxinen in granen.

Deoxynivalenol (DON) bijvoorbeeld is een mycotoxine geproduceerd door de schimmels die in granen kunnen voorkomen. Dat is heel schadelijk voor mens en dier. In de graansector worden jaarlijks, zowel door de sector als door het FAVV, analyses uitgevoerd op DON. In samenwerking met verschillende onderzoeksinstellingen van de diverse regio’s worden op een honderdtal percelen verspreid over het volledige areaal tarwe in België monsternames en analyses verricht om het risico en niveau van DON-contaminatie op tarwe te bepalen voor de oogst.

Het departement Landbouw neemt hierin ook een rol op door de ondersteuning van het praktijkonderzoek, waaronder dit van het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen. Binnen de proefveldwerking worden jaarlijks veertig stalen tarwe genomen in proefpercelen verspreid over Vlaanderen. De analyses daarop worden uitgevoerd door de Universiteit Gent en de Hogeschool Gent.

Bij individuele bedrijven is er geen systematische bemonstering maar worden er wel monsters genomen als er zich problemen voordoen inzake bijvoorbeeld vruchtbaarheid of dalende productie. Zowel bij het Landbouwcentrum voor Voedergewassen als bij het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen bestaat een model dat de melkveehouders of akkerbouwers kan alarmeren en hen bewust kan maken van het probleem.

De klimaatwijziging zal verschuivingen impliceren op het vlak van mycoflora. In Vlaanderen zijn er volgens het departement Landbouw nog geen mycotoxines teruggevonden die nieuw zijn voor onze streken.

Onze boeren worden almaar vaker geconfronteerd met veranderende weersomstandigheden. Zij moeten zich bewust zijn van mycotoxines.

Voor bestaande mycotoxines zijn er al initiatieven genomen. In het demoproject ‘Hittestress bij maïskuilen’, dat loopt tot 31 maart 2023, worden boeren geïnformeerd en begeleid om met gepaste maatregelen nog meer in te spelen op het voorkomen van broei in de maïskuil. Er worden regelmatig studieavonden hierover georganiseerd.

Als vanuit het fundamenteel onderzoek signalen op het vlak van mycotoxines zouden doorstromen naar de landbouwcentra, zal dat de bewustwording daarvan versterken. 

Stijn De Roo: “Controles op vlak van volksgezondheid worden reeds uitgevoerd door de federale overheid.

Het is belangrijk dat er ook bij de productie van voeder voldoende aandacht is voor een aantal nieuwe ontwikkelingen die zich kunnen voordoen, zeker bij maïs waar bepaalde schimmels niet zichtbaar zijn en waarbij de plant geen ziektebeeld vertoont.

Het was vooral mijn bedoeling aandacht te vragen voor fundamenteel onderzoek om dergelijke zaken te ontdekken. Het antwoord van de minister stelt me gerust, namelijk: als er signalen komen vanuit dat fundamenteel onderzoek zal dat opgenomen worden via de praktijkcentra, via vormingen, via bewustmaking op het terrein.”

Het volledige verslag van mijn vraag kan je hier lezen.