Gisteren toonde één de tweede aflevering van “Komen te gaan”. Het programma vertelt verhalen over rouw en verdriet, maar ook over afscheid nemen op een creatieve manier. In het Vlaams Parlement nam volksvertegenwoordiger Katrien Schryvers al verscheidene initiatieven die inspelen op de toenemende vraag om een meer persoonlijke invulling te geven aan alles wat te maken heeft met het levenseinde. “Het werk is nog niet gedaan, de maatschappij en de technieken blijven evalueren. Er zijn nog heel wat zaken die een moderne toets en meer flexibiliteit vragen,” aldus Schryvers. Over haar tweede conceptnota voor nieuwe regelgeving omtrent begraafplaatsen en lijkbezorging wordt vandaag in de commissie Binnenland een hoorzitting gehouden met de eerste betrokkenen van de sector: uitvaartverzorgers, lokale besturen en ambtenaren van de burgerlijke stand.

 “Vanuit de sector blijven er signalen komen dat de bestaande regelgeving op een aantal limieten botst en niet langer voldoet aan de verwachtingen van de mensen,” aldus Schryvers. Daarom nam zij het decreet van 2004 onder de loep en schoof een aantal zaken naar voor waar een actualisering aan de orde is.

Zo bestaan er grote verschillen in hoe gemeenten voorzien in de lijkbezorging van mensen die daar zelf de middelen niet voor hebben. “Dat kan gaan van het enkel voorzien in een kist en de begraving ervan, tot de organisatie van een dienst en het drukken van rouwbrieven en/of prentjes,” zegt Schryvers, “Er zijn hierover in de regelgeving immers geen modaliteiten omschreven.” Zij vindt dan ook dat, met het oog op respect voor de overledene, een minimale dienstverlening decretaal moet worden vastgelegd.

Daarenboven is er nood aan een betere omschrijving van het begrip ‘behoeftige’. Nu gebeurt het dat een lokaal bestuur de tussenkomst soms weigert, omdat bijv. onderhoudsplichtige familieleden toch financiële middelen op een bankrekening hebben staan. Dergelijke onduidelijkheid kan ertoe leiden dat begrafenisondernemers die reeds de eerste stappen inzake de uitvaartverzorging  ondernomen hebben plots in de onzekerheid verkeren of ze ooit nog een vergoeding voor de door hen geleverde diensten  zullen  ontvangen. “Zowel familieleden als gemeentebesturen moeten weten waar ze aan toe zijn,” aldus Schryvers.

In de regelgeving is overigens enkel een bepaling opgenomen voor wat betreft de begraving van behoeftigen. Het gebeurt echter dat iemand die niet behoeftig is  geen nabestaanden heeft of dat de nabestaanden niet bekend zijn of geen beslissingen nemen. Daardoor kan er geen initiatief genomen worden voor de lijkbezorging. Er bestaan getuigenissen van overledenen die gedurende meerdere weken niet werden begraven, omdat er niemand het initiatief tot begraving nam. Schryvers vindt het daarom aangewezen decretaal vast te leggen dat, wanneer er geen initiatief is genomen voor lijkbezorging binnen een bepaalde termijn, de lokale overheid hiermee belast wordt. Behoudens uiteraard gerechtelijke beslissingen die dit in de weg staan.

Ruimte voor gebruik van nieuwe technieken
Momenteel bestaat er geen duidelijkheid over de milieu-impact of de kostprijs van nieuwe technieken van om te gaan met stoffelijke overschotten. Dat neemt niet weg dat dergelijk onderzoek naar resomatie of aquamatie gevoerd moet worden, én dat de regelgeving desgevallend ruimte moet bieden voor de toepassing ervan. 

De inrichting van crematoria
Het is verplicht voor crematoria om naast een technisch gedeelte ook te voorzien in een openbaar gedeelte, voorbehouden voor de ontvangst van de nabestaanden en kennissen. “Samen met de sector, stellen wij ons echter de vraag of het niet aangewezen is crematoria te beperken tot zuiver technische entiteiten, zoals een koelkamer, een lokaal voor plaatsing van een doodskist of lijkwade en een oven,” aldus Schryvers, “Meer en meer stellen we immers vast dat plaatselijke begrafenisondernemers zelf over ruimtes beschikken om op een zeer kwalitatieve en serene manier afscheidsplechtigheden te organiseren. Ook stellen heel wat lokale besturen ruimtes ter beschikking voor een afscheidsplechtigheid.”

De lijkwagens
Het is aangewezen om tot een meer duidelijke omschrijving te komen van het begrip ‘lijkwagen’. “Nu gebeurt het zelfs dat personenwagens die weinig of zelfs niet aangepast zijn om een stoffelijk overschot te vervoeren daarvoor toch gebruikt worden, terwijl ze ook blijvend als ‘personenwagen’ worden gebruikt,” vertelt Schryvers.

Rouwkamers
Een  uitvaartondernemer die een overledene langer dan 24 uur wil opbaren moet over een rouwkamer beschikken die voldoet aan de Vlarem-regelgeving. Deze bepaalt onder meer dat een rouwkamer moet beschikken over een opbaarruimte en een verzorgingsruimte. Het loskoppelen van de opbaarruimtes van de verzorgingsruimtes zou echter de mogelijkheid bieden om de verzorgingsactiviteiten op een niet-publieke plaats te centraliseren, terwijl het opbaren van de overledenen zou kunnen gebeuren op een plaats die eenvoudig voor de nabestaanden toegankelijk is.

Het al dan niet verwijderen van een pacemaker voor de lijkbezorging
Indien de overledene een implantaat draagt dat werkt op een batterij, dient die batterij verwijderd te worden vooraleer er wordt overgegaan tot begraving of crematie. Nieuwere modellen van pacemakers zijn echter, in tegenstelling tot oudere, niet eenvoudig te verwijderen door een begrafenisondernemer en vereisen een chirurgische ingreep. Onderzoek met aantonen in hoeverre het verwijderen van dergelijke pacemakers aangewezen is en de regelgeving moet helder omschrijven hoe dit desgevallend best moet gebeuren.

    Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookies Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.